‘Wie dingen weggooit, heeft ideeën’

Ruim voor schrijver Robert Graves de loopgraven in ging, nam hij afscheid van zijn kostschool. Zo staat te lezen in Goodbye to All That.

Bij zijn afscheid zei de directeur tegen hem: ”Nou, het ga je goed, Graves, en denk erom, je beste vriend is de prullenbak.”

De prullenbak. Het lijkt een zeer gedateerd object voor een schrijver. Wie maakt er nu nog proppen van de eerste, tweede, derde versie van een tekst? En gooit ze daarna met een woest gebaar wég?

Dat fysieke gebaar onderstreept de moeite die schrijven kost, ook al gaat publiceren tegenwoordig met de snelheid van het licht.

Blijf bedenken dat schrijven moeite kost. Blijf bedenken dat wat met zorg en aandacht is gemaakt, ook de moeite van het lezen waard is – kan zijn.

Schrijver A.L. Snijders schreef over een verslag dat hij gemaakt had van een boottochtje: ‘Ik wil het in de prullenbak laten verdwijnen, omdat het mislukt is. Het is te realistisch, het blijft te dicht bij de ware gebeurtenissen. Ik blijk ideeën te hebben over het schrijven. Wie dingen weggooit, heeft ideeën.’

Hoe schrijf je teksten voor lezers?

Schrijven is niet zo moeilijk, dat kan haast iedereen. Maar zó schrijven dat mensen je tekst ook echt lezen, dat is een kunst. Een kunst die ik je kan leren.

Schrijven zonder ploeteren
Veel mensen ervaren dat schrijven alleen maar ploeteren is. Dat gevoel had ik vroeger ook. Toen had ik allerlei ideetjes in mijn hoofd, maar wist ik ze niet op op papier te krijgen. Inmiddels weet ik heel goed hoe je kunt voorkómen dat schrijven verzandt in ploeteren. Sindsdien heb ik verschillende boeken en vele artikelen heb gepubliceerd. Doordat ik zelf ervaren heb hoe je schrijven kunt leren, kan ik het ook goed aan anderen overbrengen.

Schrijfgewoontes
Hoe leer je zonder ploeteren een tekst schrijven die anderen graag willen lezen? Door een training te volgen waarbij je aan de slag gaat met je eigen teksten. In deze training leer je een aantal gewoontes af die je belemmeren bij het schrijven. En je leert een aantal nieuwe vaardigheden waardoor schrijven leuker en zinvoller wordt!

Lees “Hoe schrijf je teksten voor lezers?” verder

Veel gestelde vragen

Wat doe je voor de kost?
Ik geef trainingen in het formuleren van visies, ideeën en ambitieuze vergezichten. Ook begeleid ik mensen die de kern van hun advies of voorstel helder willen verwoorden. Schrijfcoaching en -training, dus. Daarnaast schrijf ik zelf, soms in opdracht, vaker op eigen initiatief.

In mijn trainingen leg ik het accent op het denkproces dat aan schrijven vooraf gaat. Als je gedachten niet helder zijn, dan vertroebelen die je tekst.
Ook besteed ik aandacht aan de psychologie van het schrijfproces: onzekerheid, faalangst, angst voor kritiek of juist de keerzijde ervan: zelfgenoegzaamheid, te snel tevreden zijn.

Van mij krijg je weinig te horen over spellingsregels. Over stijl heb ik het zeker wel. En ook over de hiërarchie van gedachten in een tekst. Wat is nu écht belangrijk? Als je zorg en aandacht aan deze kwesties besteedt, dan ontstaan daardoor teksten die moeite van het lezen waard zijn.

Waar schrijf je zelf over?
Ik schrijf bij voorkeur over onderwerpen op het kruispunt van wetenschap en filosofie en maatschappelijke kwesties.
Hoe ingewikkelder, hoe interessanter. Ik ben snel van begrip en vind het leuk om moeilijke zaken op een toegankelijke manier te presenteren.

Kun je schrijven leren?
Jazeker! Dat heb ik zelf ervaren. Ik wilde altijd al schrijver worden, maar dat leek me iets onmogelijks. Toen ik afgestudeerd was in de filosofie, wist ik helemaal niet wat ik wilde doen. Ik geloofde allang niet meer dat ik kon schrijven. Maar ik wilde het wel leren. Dus volgde ik de Postdoctorale Opleiding Journalistiek aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit. Ik heb er geen carriere als journalist aan overgehouden – dat past ook niet zo bij mijn persoon – maar ik heb er wel veel geleerd over publieksgericht schrijven. Sindsdien schrijf ik veel – en vooral met veel plezier.

Heb je nog werkwensen?
Altijd. Sinds ik in 1992 als zzp’er aan de slag ben gegaan, heb ik allerlei soorten opdrachten vervuld. De meest afschuwelijke was: in een snikhete  zomermaand een paginagrote krantenadvertentie schrijven over ski-vakanties. Ik bleek weinig affiniteit met het onderwerp te hebben.

De leukste opdrachten zijn die waar ik kan werken met mensen die inhoudelijke ambities hebben en waarin ik creatief kan denken en schrijven. Wat ik leuk vind is:

  • Aanschuiven
    Een clubje mensen heeft een plan, maar aarzelt nog over de uitwerking. Dat kan gaan over een boek, een manifestatie, een site of een andere materialisatie van een inhoudelijk concept.
  • Begeleiden
    Ik kan bij plannenmakers twee posities innemen. Of ik ga meedenken (aanschuiven), óf ik begeleid het proces van brainstormen en beslissingen nemen. Beide kan ik goed.
  • Combineren
    Varkens op een industrieterrein. Mooie foto’s van mensen met een huidziekte. Een zestiende-eeuwse filosoof op internet. Ik houd van combinaties die wringen, die nét buiten de conventies vallen.
  • Formuleren
    Voor alle creatieve processen geldt: eerst breed oriënteren, dan scherp inzoomen. Helder analyseren, krachtig formuleren: daar hebben mensen iets aan.
  • Presenteren
    Sommige mensen zweten peentjes voor een publiek. Gek genoeg ontspan ik meestal als ik een verhaal kan vertellen. Dat doe ik dan ook graag!

Contact met Tanny Dobbelaar

Voor meer info over mijn activiteiten kun je mij mailen.

(In principe beantwoord ik mail binnen drie dagen. Mocht dat door omstandigheden niet lukken, dan laat ik weten op welke termijn ik wel een antwoord kan geven).

Bellen kan ook: 06 143 196 55. Ik ben op werkdagen bereikbaar van 9 tot 17 uur.

Ik hanteer leveringsvoorwaarden waarin ook regels staan over geheimhouding van gegevens en een klachtenprocedure. Ik verwerk gegevens zoals beschreven in deze privacyverklaring .

Ik werk graag samen met collega schrijvers, vormgevers, kunstenaars, fotografen. Hieronder een selectie van mensen met wie ik graag samenwerk.

Doosje

De opdrachtgever
Een zelfstandig gevestigd personeelsadviseur die met pensioen gaat.

De opdracht
‘Wil je schrijven over mijn werk en leven? Die tekst wil ik uitdelen aan vrienden en familie, als ik 65 word.’

De uitvoering
Ik maakte een reeks van kleine artikelen over diverse thema’s die in het leven van de opdrachtgever belangrijk zijn: haar loopbaan, muziek, haar gezin, journalistiek, haar ouders.

Die artikelen vulde ze aan met foto’s van vroeger en van nu, lijstjes van frivole favorieten in haar leven (favoriet broodbeleg: kokosbrood); een stamboom, een kaart van Nederland met alle adressen waar ze heeft gewoond en een pagina bladmuziek van haar favoriete componist.

De vormgeving
Voor een professionele vormgever was geen budget. Daarom heeft de opdrachtgever zelf een twintigtal doosjes gekocht en gevuld met mijn teksten en haar foto’s. Ze heeft ze uitgedeeld aan haar familieleden en beste vrienden.

Dode conventies

Als ik een ´literaire´ thriller ga lenen uit de bibliotheek en die ook nog ga lezen, dan weet ik dat ik op moet passen. Het is een duidelijk teken: ik ben te moe, te druk, een beetje overwerkt. Dan kan ik geen Engels meer lezen noch ´echte´ literatuur.

Als ik ben uitgeslapen, gebeurt er iets anders. Dan kan ik juist die thrillers niet verdragen. Ondanks een ijzersterk plot verveel ik me. Ik krijg de zinnen niet verteerd.

Hoe kan dat nu toch? Die vraag houdt me al een aantal weken bezig. Hij schampt aan de discussie over wat echte literatuur nu eigenlijk is. Ik schreef eerder over de meningen van Gerrit Komrij, die ooit zei dat middelbare meisjes de literatuur verpesten:

”Ze hebben ontdekt dat middelbare meisjes, zo tussen de 30 en 45, de enigen zijn die boeken lezen. Op zichzelf is dat heugelijk.”

En:

“Minder heugelijk is dat het literatuur geworden is. Literatuur wil iets anders dan die zorgjes over zwangerschap en plastische chirurgie. Literatuur gaat over hoe je in de wereld staat, over reflectie. Literatuur wil je begeleiden bij hele ernstige vraagstukken.”

Ach, die arme meneer Komrij. Hij denkt dat de dames het gedaan hebben! Want tja, zwangerschap, dat is geen ernstig vraagstuk, en het zegt natuurlijk he-le-maal niets over hoe je in de wereld staat. Echte literatuur gaat over ernstige zaken, vindt hij. Zijn antwoord leek me niet zo zinvol.

Een paar jaar geleden voegde Connie Palmen er een nieuw onderscheid aan toe. Je hebt nietsnutten en schrijvers die kunstenaar zijn. Tot die laatste categorie rekent zij zichzelf. En echte kunstenaars vermijden clichés: in stijl, structuur en wat al niet.

Toegepast op mijn wisselende stemmingen: misschien kan ik clichés amper verdragen als ik energiek ben, en vallen ze me nauwelijks op als ik uitgeput ben.

Toch is dit antwoord onvolledig. Ik weet zeker dat veel alom erkende Grote Literatuur clichés bevat: in onderwerp (de lie-hief-de), in structuur (de Bildungsroman), in plot (vreemdeling gooit bestaande verhoudingen overhoop). Ook Palmens werk grossiert in clichés, zoals in De Wetten, waarin het jonge meisje zich laaft aan wereldwijze mannen.

In het zeer inspirerende How fiction works citeert literatuurcriticus James Wood een passage uit John Carrés werk. Goed gedaan, oordeelt hij. Nice writing, en gegeven de normen voor hedendaags thrillers is het zelfs magnificent.
Even verderop veroordeelt hij het proza even helder met ”commercieel realisme”. Het is efficiënt geschreven proza, gericht op het voortstuwen van het plot, maar de passage zelf typeert Wood als a clever coffin of dead conventions.

Grote literatuur is écht realistisch, aldus Wood, en in korte stukjes formuleert hij zijn argumenten voor deze stelling. Die stukjes gaan over de vrije indirecte rede. Over de spanning tussen de stem van de auteur, de stem van het personage en de taal van de wereld waarin beiden zich begeven. Over het mysterie van metaforen en de inzichten die een treffend detail je kunnen geven. En vooral ook over de auteurs die Wood zo liefdevol bespreekt.

Wood pleit voor een vorm van realisme die waarachtig is, waarin de woorden het leven zélf voortbrengen. Als dit vaag klinkt, dan heeft u gelijk. Mijn formuleringen schieten te kort. Leest Wood! Daar word je veel wijzer van….

Scharrelen met Bentheimers

Lucifers, anti-rimpelcrème, lang houdbare melk, wijn, papier, marshmallows en natuurlijk ook spekjes, en karbonades en dropjes: we leven heel intiem met varkens. Ze zijn in de meest uiteenlopende producten verwerkt. Dat heeft Christien Meindertsma prachtig laten zien in haar project PIG 05049 1:1.

Ik had me al eens eerder verdiept in varkens, bij het schrijven van een boek over agroparken voor het InnovatieNetwerk van het Ministerie van Landbouw. Daar had ik de overtuiging aan overgehouden dat het anders moet met de varkenshouderij in Nederland.

Als mensen toch vlees blijven eten – en dat doen ze, elk jaar meer, in Nederland én vooral in opkomende economieën waarin steeds meer mensen eindelijk geld genoeg hebben om vlees te gaan eten – dan moet dat op een radicaal andere, milieuvriendelijker manier. Het alternatief, vegetarisch gaat eten, is nóg beter, maar dat vertikken de meeste mensen nu eenmaal.
Tijdens het schrijven van dat boek heb ik echter geen varken in het echt gezien. Dat was wel een omissie.

Dus toen de Peergroup vroeg om 24 uur te gaan zorgen voor vier bonte Bentheimers en daar vervolgens verslag van te doen, was ik enthousiast. Dat leven met die varkens, daar zag ik wel tegenop. Eigenlijk vind ik dieren maar stom. Ik ben er zelfs een beetje bang voor. Na die 24 uur een essaytje erover geschreven, dat leek me het leukst.

Dus reed ik naar Coevorden, waar op de grens tussen Nederland en Duitsland, twee zeecontainers op elkaar in een weiland staan. De P.A.I.R (= portable artist in residence) biedt ruimte aan vier varkens en één mens, en is geheel zelfvoorzienend.

Het was eenzaam en saai en fascinerend, die 24 uur zorgen voor de varkens. Ze deden me beseffen dat we nog steeds magisch denken: tussen die levendige scharrelende, snuivende, oorverdovend knorrende, ontzettend grappige beesten en alle producten die ervan worden gemaakt gaapt een groot gat: het verband gaat onze fantasie te boven.

Iets dergelijks geldt voor het contrast tussen deze romantisch huppelende wezens in een weiland op grens van Duitsland en Nederland en de realiteit van de bio-industrie. Onbegrijpelijk.
Mijn voorstellingsvermogen groeide door voor die beesten te zorgen: daar huppelen wezens die straks tot worst worden gedraaid. Ik vind het geen zielig idee, integendeel. Het maakt vlees eten begrijpelijker. Minder zondig. Vreemd genoeg.

Later schreef ik het essay: Een stadse bij de varkens.