Mooie fragmenten doen er niet toe

Gustave Flaubert in een brief aan Louise Colet:

Werk. Denk na, denk vooral na, condenseer je gedachten, want je weet dat mooie fragmenten er niet toe doen. Eenheid, eenheid, daarin ligt alles besloten. Samenhang, daaraan ontbreekt het al onze tijdgenoten, zowel de grote als de kleine. Concentreer je stijl, maak er een weefsel van dat soepel is als zijde en sterk als een maliënkolder. Mijn verontschuldigingen voor deze adviezen, maar ik zou je alle dingen willen geven, die ik voor mezelf wens.*

Twee soorten trainingen
Je kunt het ongelofelijk veelzijdige aanbod aan schrijftrainingen indelen in twee categorieën.

De eerste categorie richt zich op het losmaken van creatieve vermogens: het schrijven van fragmenten naar aanleiding van een suggestie. Erg leuk om te doen, erg leuk om te geven ook. Lees “Mooie fragmenten doen er niet toe” verder

‘Wie dingen weggooit, heeft ideeën’

Ruim voor schrijver Robert Graves de loopgraven in ging, nam hij afscheid van zijn kostschool. Zo staat te lezen in Goodbye to All That.

Bij zijn afscheid zei de directeur tegen hem: ”Nou, het ga je goed, Graves, en denk erom, je beste vriend is de prullenbak.”

De prullenbak. Het lijkt een zeer gedateerd object voor een schrijver. Wie maakt er nu nog proppen van de eerste, tweede, derde versie van een tekst? En gooit ze daarna met een woest gebaar wég?

Dat fysieke gebaar onderstreept de moeite die schrijven kost, ook al gaat publiceren tegenwoordig met de snelheid van het licht.

Blijf bedenken dat schrijven moeite kost. Blijf bedenken dat wat met zorg en aandacht is gemaakt, ook de moeite van het lezen waard is – kan zijn.

Schrijver A.L. Snijders schreef over een verslag dat hij gemaakt had van een boottochtje: ‘Ik wil het in de prullenbak laten verdwijnen, omdat het mislukt is. Het is te realistisch, het blijft te dicht bij de ware gebeurtenissen. Ik blijk ideeën te hebben over het schrijven. Wie dingen weggooit, heeft ideeën.’

Dode conventies

Als ik een ´literaire´ thriller ga lenen uit de bibliotheek en die ook nog ga lezen, dan weet ik dat ik op moet passen. Het is een duidelijk teken: ik ben te moe, te druk, een beetje overwerkt. Dan kan ik geen Engels meer lezen noch ´echte´ literatuur.

Als ik ben uitgeslapen, gebeurt er iets anders. Dan kan ik juist die thrillers niet verdragen. Ondanks een ijzersterk plot verveel ik me. Ik krijg de zinnen niet verteerd.

Hoe kan dat nu toch? Die vraag houdt me al een aantal weken bezig. Hij schampt aan de discussie over wat echte literatuur nu eigenlijk is. Ik schreef eerder over de meningen van Gerrit Komrij, die ooit zei dat middelbare meisjes de literatuur verpesten:

”Ze hebben ontdekt dat middelbare meisjes, zo tussen de 30 en 45, de enigen zijn die boeken lezen. Op zichzelf is dat heugelijk.”

En:

“Minder heugelijk is dat het literatuur geworden is. Literatuur wil iets anders dan die zorgjes over zwangerschap en plastische chirurgie. Literatuur gaat over hoe je in de wereld staat, over reflectie. Literatuur wil je begeleiden bij hele ernstige vraagstukken.”

Ach, die arme meneer Komrij. Hij denkt dat de dames het gedaan hebben! Want tja, zwangerschap, dat is geen ernstig vraagstuk, en het zegt natuurlijk he-le-maal niets over hoe je in de wereld staat. Echte literatuur gaat over ernstige zaken, vindt hij. Zijn antwoord leek me niet zo zinvol.

Een paar jaar geleden voegde Connie Palmen er een nieuw onderscheid aan toe. Je hebt nietsnutten en schrijvers die kunstenaar zijn. Tot die laatste categorie rekent zij zichzelf. En echte kunstenaars vermijden clichés: in stijl, structuur en wat al niet.

Toegepast op mijn wisselende stemmingen: misschien kan ik clichés amper verdragen als ik energiek ben, en vallen ze me nauwelijks op als ik uitgeput ben.

Toch is dit antwoord onvolledig. Ik weet zeker dat veel alom erkende Grote Literatuur clichés bevat: in onderwerp (de lie-hief-de), in structuur (de Bildungsroman), in plot (vreemdeling gooit bestaande verhoudingen overhoop). Ook Palmens werk grossiert in clichés, zoals in De Wetten, waarin het jonge meisje zich laaft aan wereldwijze mannen.

In het zeer inspirerende How fiction works citeert literatuurcriticus James Wood een passage uit John Carrés werk. Goed gedaan, oordeelt hij. Nice writing, en gegeven de normen voor hedendaags thrillers is het zelfs magnificent.
Even verderop veroordeelt hij het proza even helder met ”commercieel realisme”. Het is efficiënt geschreven proza, gericht op het voortstuwen van het plot, maar de passage zelf typeert Wood als a clever coffin of dead conventions.

Grote literatuur is écht realistisch, aldus Wood, en in korte stukjes formuleert hij zijn argumenten voor deze stelling. Die stukjes gaan over de vrije indirecte rede. Over de spanning tussen de stem van de auteur, de stem van het personage en de taal van de wereld waarin beiden zich begeven. Over het mysterie van metaforen en de inzichten die een treffend detail je kunnen geven. En vooral ook over de auteurs die Wood zo liefdevol bespreekt.

Wood pleit voor een vorm van realisme die waarachtig is, waarin de woorden het leven zélf voortbrengen. Als dit vaag klinkt, dan heeft u gelijk. Mijn formuleringen schieten te kort. Leest Wood! Daar word je veel wijzer van….

De jurkjes van Tomoko Mukaiyama


Wonderschoon, deze installatie van 12.000 witte zijden jurkjes. Een kathedraal van jurkjes, stuk voor stuk in patronen vastgeknoopt. Je sluipt op kousenvoeten door gangetjes van jurken en komt dan terecht in een koepel, eveneens van jurkjes. Je krijgt pijn in je nek, van pure bewondering.

De installatie is het werk van de Japanse musicus en kunstenares Tomoko Mukaiyama. Met behulp van Japanse architectuurstudenten zijn de gangen en koepels ontworpen. Drie weken lang hebben haar medewerkers de jurkjes aan de netten vastgeknoopt. Hij was in 2010 te zien in het Groningse Kruithuis.

Komrij over schrijven

‘Ja, God, wil je echt weten hoe dat bij mij toegaat? Pijn, kleine drukkingen hier en daar, nerveuze uitstulpingen, koudwaterkoorts.’

‘Ik schrap niet zoveel, want ik ben niet iemand die maar wat neerschrijft. Ik schraap het zorgvuldig, moeizaam en spaarzaam uit mijn hersens tevoorschijn.’

”Soms zit ik een dag te mieren over één alinea, en soms zie ik in een seconde een hele ontknoping. Jammer dat het laatste zo zelden voorkomt.’