Over ouders, kinderen & schrijven

Andrew Solomon was als kind ernstig dyslectisch. Toen zijn moeder dat ontdekte, verzon ze allerlei speelse manieren om haar zoon toch aan het lezen en schrijven te krijgen, waardoor hij met behoud van eigenwaarde zijn obstakels met taal overwon.

Andrew is haar er nog steeds dankbaar voor. Ze heeft hem in staat gesteld dikke boeken te kunnen schrijven.

Lees “Over ouders, kinderen & schrijven” verder

Wie ‘ik’ schrijft, heeft wat uit te leggen

Wie ‘ik’ schrijft – in een essay, bijvoorbeeld, heeft nogal wat uit te leggen. Hoe vertrouwd je eigen ik ook is, een onbekende lezer kent je niet.

En om het maar even bot te stellen: weinig lezers zullen zomaar geïnteresseerd zijn in jouw ‘ik’, tenzij je al bekend voor hen bent – als BN’er of als intimus.

Hieronder een aantal ongelijksoortige aanwijzingen en gedachten over het stileren van ‘ik’.  Gebruik ervan wat handig voor je is. Negeer vooral ook alles wat niet passend is.

Wat weet de lezer van jou?
Ik las De fundamenten van Ramsey Nasr, en het viel me op dat ik zijn teksten invul met wat ik uit andere media al vaagjes van hem weet: veertiger, man, acteur, dichter. Uit dit boek maak ik op: ah, wonend in een appartement, centrum Amsterdam, op de fiets naar de Stadsschouwburg voor zijn werk, alleen wonend.

Is dit soort kennis relevant? Interessant? Op detailniveau kun je achterhalen waarom soms wel. Een voorbeeld: uit pure corona-verveling en eenzaamheid draalt Nasr door zijn huis en stuit hij op een aantal lang vergeten dvd’s met klassieke films. Hij gaat ze bekijken. Eén ervan vormt stof voor nieuwe bespiegelingen. Zo creëert Nasr een verhaallijn. Was hij vader van drie kleine kinderen in Steenwijk, dan had hij die scene vast niet zó geschreven.

Wel persoonlijk, niet privé
Bedenk dat de lezer in principe niets van je weet. Dat hoeft ook helemaal niet, maar juist het essay biedt mogelijkheden om de lezer meer te verbinden met je gedachten, ideeën, ervaringen, via contact met de ‘ik’ van de schrijver.
Kijk daarom eens naar die ‘ik’ in je tekst. Schrijf op wat de lezer van deze ‘ik’ te weten komt. Soms is het te veel: dan staat er persoonlijke informatie in die particulier of privé is, alleen voor jou zeer betekenisvol maar voor de lezer irrelevant. Schrappen!

Situeer je ‘ik’ radicaal in de wereld
Meestal geeft een essay in eerste versie te weinig informatie over de ‘ik’. In dat geval: probeer je ‘ik’ radicaal te situeren in de wereld: plaats, tijd, lichaam, leeftijd, kleur, karakter – welke van deze en vele andere mogelijke kenmerken van de ‘ik’ kunnen bijdragen aan een kleurrijker, interessanter en vooral informatiever perspectief?

Blind date met je lezer
Soms helpt het om je een lezer voor te stellen, bijvoorbeeld iemand die je niet persoonlijk kent maar waar je wel graag contact mee wil krijgen.
Wat zou je tijdens een blind date met die persoon dan over jezelf vertellen?
Dit gedachte-experiment leidt juist soms weer tot te veel particuliere informatie, maar het kan je wel helpen om je vooronderstellingen over ‘wat iedereen al van je weet’ scherper te krijgen.

Stileer vervolgens die kenmerken radicaal: gebruik bijvoorbeeld één veelzeggend detail, denk aan ‘vertonen, niet vertellen’.

Hoe verandert ‘ik’?
Nog een andere manier om naar je ‘ik’ te kijken: maakt de ‘ik’ een ontwikkeling door – of blijft die gedurende het essay statisch, onveranderlijk? Je kunt als schrijver de vloeibaarheid van het ‘ik’ heel goed gebruiken om je essay te transformeren tot het verhaal van een reis. Een statisch ‘ik’ kan makkelijk vervallen in een alwetende verteller – een saaie predikant.

‘Ik’ heeft temperament
Misschien is je ‘ik’ slechts een stem. Zorg ervoor dat die dan geen ‘voice from nowhere’ is, maar een persoonlijkheid: flegmatiek of juist driftig, bekommerd om de wereld of juist ervan gedistantieerd, gedeprimeerd of juist verwachtingsvol.
Probeer vervolgens die karakterisering terug te laten komen in het ritme van je zinnen. Kort, staccato, meanderend, met veel ritmewisselingen of juist zeer regelmatig, als aanspoelende golven op een strand in de zomer.

Schrap ‘ik’ zo vaak als kan
Als je tevreden bent, zo min of meer, ga dan met een nog technischer oog kijken naar je ‘ik’. Markeer alle keren dat je ‘ik’ gebruikt en kijk eens of je het vaker kunt schrappen.
Het hele essay is immers al vanuit een ‘ik’ geschreven, dus kan het woordje ‘ik’ er ook nog vaak uit. Op een boek staat meestal ook niet Dit is de titel. Ander voorbeeld: ‘Ik las dat x schreef over een fietsreis naar y’: ‘x fietste naar y.’

Namens wie schrijf je?

Kom een week essay schrijven in Zeist!
Een deskundige blik op je schrijfplannen?

 

Ik. Jij. Wij: namens wie schrijf je?

Een kwestie die vooral essayisten hoofdbrekens kost, maar ook andere schrijvers soms kan hinderen. Wanneer gebruik je ‘ik’, of ‘jij’ of ‘wij’?

Disclaimer
Voor alle schrijftips geldt dat je ze moet opvatten als vuistregels, als ervaringsregels. Als je precies weet wat je doet, dan kun je er ook beter van afwijken. ‘Eerst leren sturen, voordat je uit de bocht vliegt’, hoorde ik Maartje Wortel op de radio zeggen. Ze citeerde haar leermeester Wim Brands.

‘Wij’
De schrijver die ‘wij’ schrijft, is vaak een predikant. De schrijver bedoelt vaak: ‘jullie’. Of de schrijver doelt op zichzelf, maar vermenigvuldigt zichzelf voor het gemak. ‘Wij moeten duurzaam gaan leven’. Ja, ja. Praat voor jezelf. Het lijkt heel inclusief, om ‘wij’ te schrijven, maar vaak blijkt de schrijver een zeer specifieke groep te bedoelen.
Ik word er vaak kriegel van, van de wij. Praat namens jezelf, niet namens mij!

Kun je dan nooit ‘wij’ schrijven? Tuurlijk wel. Doe het vooral als je naar een specifieke groep verwijst. In Wij zijn licht geeft Gerda Blees prachtige voorbeelden. Elk hoofdstuk is geschreven vanuit een ander perspectief, waaronder de buren, een sinaasappelgeur, de feiten, het dagelijks brood. En die stellen zich allemaal voor met ‘wij’.  Alsof een koor spreekt. Zo goed gedaan! Voorbeeld:

‘Wij zijn de nacht. Wij brengen duisternis en dronkenschap, kattengevechten, slaap en slapeloosheid, seks en sterfgevallen.  Wie in alle rust wil sterven, zonder al te veel gedoe en drama, zal dat bij voorkeur doen in ons, de nacht, terwijl de aankomende nabestaanden slapen.’

‘Jij’
Wie afstand wil houden van zichzelf, gebruikt automatisch ‘jij’. Parodieën hierop zijn te vinden in voetbalminnend Nederland. ‘Je gaat naar links, maar hij maakte een sliding, en je denkt, dan maar naar rechts’. Zoiets.

Algemeen advies: gebruik alleen ‘jij’ als je een concreet persoon aanspreekt. Sommige essays zijn vermomd als brief aan een specifieke lezer. Dan werkt ‘jij’ wel zeker.

Kortom: schrijf ‘jij’ als je niet naar jezelf verwijst (dan gebruik je ‘ik’). Schrijf ‘jij’ als je een concreet persoon aanspreekt.

‘Ik’
Het gebruik van ‘ik’ kent vele valkuilen. Vuistregel: gebruik ‘ik’ bewust, en zie dat deze ik onbekend is voor je publiek. Je zult je eigen ‘ik’ dus moeten benaderen als een personage.
Zoals cartoonisten met enkele streken een bekend persoon kunnen neerzetten, zo kun je ook je ‘ik’ enkele eigenschappen meegeven die meer verduidelijken over de context waarin deze ‘ik’ schrijft over haar of zijn blik op de wereld.

Leer beter en vooral interessanter schrijven
Word blij van een meedenker bij je schrijfproject

Show don’t tell – een voorbeeld

Ik vond dit boek via een reactie op het artikel ‘Het nieuwe titel verklaren’, van Wouter van der Land.

Deze titel is briljant. Het toont direct de inhoud van het boek – het digitale, heldere  rechtdoor denken van mensen met autisme.

Tegelijkertijd is dit ook een voorbeeld van de manier waarop ‘show, don’t tell’ kan mislukken. Iets vertonen heeft context nodig.

Ik wist al dat autisme een hersenprobleem is, dat mensen met autisme woorden vaak letterlijk nemen. Hoe komt deze titel over als je die context mist?

Hij zei dat hij van haar hield, alleen…

Alleen hij zei dat hij van haar hield.
Hij alleen zei dat hij van haar hield.
Hij zei alleen dat hij van haar hield.
Hij zei dat alleen hij van haar hield.
Hij zei dat hij alleen van haar hield.
Hij zei dat hij van alleen haar hield.
Hij zei dat hij van haar alleen hield.
Hij zei dat hij van haar hield, alleen

 

Acht zinnetjes met acht exact dezelfde
woorden. Door alleen ‘alleen’ steeds
een woord op te laten schuiven, krijg
je acht verschillende mededelingen,
die allemaal iets anders betekenen en
ook alle acht in orde zijn.

Uit: Liesbeth Koenen, Liesbeths Onaffe, p. 18.

Troost voor huilbaby’s

Een proefschrift is als een huilbaby die voortdurend om aandacht vraagt. Af en toe laat hij een betoverend glimlachje zien dat alle slapeloze nachten goedmaakt. Soms wil je dolgraag van hem weglopen, wat je natuurlijk niet doet.
Het huilen gaat over. De baby gedijt en groeit uit tot een evenwichtig persoon die de wereld vol vertrouwen tegemoet kan treden. Op 23 januari 2020 ben ik gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift Family History: Relatives, Roots, and Databases.
Al eerder gaf ik workshops aan promovendi , maar nu ik zelf het hele proces van A tot Z doorlopen heb, weet ik nog beter hoe je je eigen huilbaby kan troosten – en jezelf.
Zodat je proefschrift een mooi project blijft waar je heel erg trots op bent!

Vijf of zes regels

In De schoonheid van weerbarstig proza (oorspronkelijke titel: Essays One) biedt Lydia Davis een inkijk in haar schrijfpraktijk. Onwaarschijnlijk inspirerend zijn de beschrijvingen van haar dagelijks leven waarin haar ambitie als schrijver centraal staat. Altijd alles noteren, altijd oefenen, je altijd zo serieus mogelijk verdiepen in onderwerpen die je aantrekken, ook al weet je niet waarom.

Ergens halverwege geeft ze kort vijf of zes kardinale regels. Ik moet ze even compleet noteren. Let op hoe ze haar eigen schrijftheorie in praktijk brengt door eerst te schrijven, dan te herschrijven omdat het beter kan.

“1. Werk aan je persoonlijkheid. (2) Werk aan je taalbeheersing, zodat je weet waar je mee bezig bent en dat goed doet, de controle houden. (3) Ken je taal – de woorden en de uitdrukkingen en het idioom – en verdiep je er grondig in, op alle mogelijke manieren. (4) Zeg wat je te zeggen hebt, zonder terughoudendheid, op de manier waarop jij het wilt zeggen, ongeacht wat anderen er misschien van zullen vinden (maar zonder voorbij te gaan aan de gevoeligheden van anderen). (5) Werk hard (schrijf veel), en wees geduldig.
Ik zeg het nog een keer, maar dan net even anders: (1) Perfectioneer je techniek. (2). Investeer los daarvan in je geest en je persoonlijkheid. (3) Als je schrijft, schrijf dan in vrijheid, zoals jij dat wilt, en volg je eigen interesses. (4) Werk hard: herschrijf nauwgezet. (5) Wees geduldig: laat tijd verstrijken als dat nodig is. (6) Negeer wat anderen zouden kunnen denken (maar niet wat ze zouden kunnen voelen).”

Lees. Leef. Schrijf. Aan de slag!

Start elke ochtend met schrijven

Ik adviseerde het al langer: begin elke ochtend met schrijven. Sinds ik mijn eigen adviezen opvolg, merk ik pas echt wat dat betekent. Een kopje koffie en dan twee a drie handgeschreven pagina’s produceren.

Ik ga niet beweren dat het heel plezierig is om aan het begin van de werkdag eerst in mijn schriftje te schrijven. Het is lastig, saai soms, om zomaar te schrijven, vooral als je niet weet wat.

Nu ik het een paar weken heb volgehouden, begint ik er zelfs plezier in te krijgen. Als ik het een dag te druk heb om met schrijven te beginnen, dan mis ik het!

Wat is nu het voordeel van doelloos schrijven in de ochtend? Ik zie drie redenen.

De eerste is dat je als het ware je formuleerknop aanzet in je hoofd. Je drijft niet meer op vormeloze stemming of gaat onmiddellijk over tot actie, maar beschrijft wat er zich voordoet. Van dat oefenen in formuleren heb je direct profijt. In mijn geval: al schrijvend structureer ik mijn dag door te bedenken wat ik vandaag in elk geval echt wil doen.

Dat profijt is direct de tweede reden: het stimuleert je creativiteit. Er dienen zich vaak nieuwe ideeën aan, ideeën die nog onrijp zijn maar wel nieuw! Dit gebeurt lang niet altijd. Soms schrijf ik alleen mijn onrust weg in de meest vreselijke clichés en andere flauwekul. Daarna ben ik klaar voor het echte werk.

De derde reden voor het ochtendschrijven is voor mij de belangrijkste: ik maak serieus tijd vrij voor mijn eigen gedachten. Die komen eerst. Die verdienen aandacht. Alleen door werkelijk serieus te nemen wat je denkt, kom ik verder met schrijven.

Dat vertelde ik altijd al aan anderen. Nu ervaar ik het opnieuw weer zelf.

Zie voor meer uitleg van de morning pages Julia Cameron de website van .

De Mount Everest beklim je ook niet in één keer

Zeker bij een groot project kan de schrik je om het hart slaan: dit komt nooit af! Eén geruststelling: de Mount Everest beklim je ook niet in één keer.

Zelfs de meest ervaren klimmers moeten zich goed voorbereiden als ze de Mount Everest willen beklimmen. Eerst moeten ze naar het basiskamp, om hun lichaam te laten wennen aan de grote hoogte. Vandaar uit maken ze diverse expedities: steeds een stukje omhoog om te verkennen hoe het gaat. En dan weer terug naar het basiskamp.

Die verkenningen zijn essentieel voor het volbrengen van de grote klim. Misschien helpt die vergelijking als je werkt aan een groot project. Ook grote bergen kun je slechts stapje voor stapje veroveren. En soms ga je even terug naar de basis, om op krachten te komen en nieuwe moed te verzamelen voor een stukje omhoog.

Behoud je illusies

Maurice Malliot, hoofdpersoon uit Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers, was tien jaar oud toen zijn ouders zich van kant maakten. Ze lieten hem een brief na:

“Een liefdesbrief. De mooiste die ik in mijn leven heb gehad. Eén passage eruit wil ik u niet onthouden opdat u er uw voordeel mee kunt doen: Er sluipen drie griezels in schaapskleren op de wereld rond: kennis, consensus en diepgang. Je zult ze pas herkennen als je groot bent. Zorg ervoor dat ze je niet verslinden en behoud je illusies!”

Een nauwe blik

In Zeepijn toont Charlotte Mutsaers zich een spoorzoeker: ze onderzoekt het verband tussen de zee en de dennen. Een dennenboom ruist als de zee. De dennenappel heeft de schubben van een vis. En het leven van een schrijver als Robert Walser is doorstoken van dennennaalden: geen wonder voor een Zwitser die moet leven in een land zonder zee.

Al die volstrekt particuliere observaties verwerkt Mutsaers in een verzameling van teksten die anekdotisch, biografisch, essayistisch zijn. En volstrekt origineel.

Een kunstenaar heeft een nauwe blik nodig, stelt Mutsaers.

”Hoe beperkter zijn blikveld, hoe beter. Hoe meer obstakels erin staan, hoe beter. Hij zal altijd willen uitvissen wat ze verborgen houden. Eromheen trachten te kijken, eronder, erachter, ernaast, erin of erbovenop. Hij zal altijd willen achterhalen welk geheim die voorwerpen verbindt, wat hun samenhang is. Dat zet hem op het spoor van zijn eigen geheim, zijn eigen samenhang.” (p.99)

Daarom liever concreet dan abstract, liever kronkelig dan rechtlijnig, liever diepte dan vergezichten, schrijft ze. En dat doet weer denken aan Montaigne.

Een gedachte krijgt meer kracht als hij is samengebald in de afgepaste voeten van het vers, schrijft hij in Over de opvoeding. Zo treedt hij krachtiger naar buiten, waardoor hij je meer raakt en overtuigt. Net als dat een geluid dat door de nauwe buis van een trompet luider en scheller klinkt.

Dat schelle lijkt me nu weer geen aanbeveling, maar de lessen voor een essayist liggen toch weer op een andere manier voor het oprapen.

Onderzoek je associaties, zegt Mutsaers, met een nauwe blik, maar ga niet van alles aan elkaar lijmen ”zonder er met huid en haar bij betrokken te zijn, dan wordt het een spelletje Mikado. Dan storten alle bouwsels, hoe origineel misschien ook, binnen de kortste keren in elkaar.” (p.243)

Narratieve technieken bij non-fictie

In onderstaande linkerkolom zie je de eerste alinea’s van een reportage uit NRC Handelsblad, van twee journalisten die een reconstructie maakten van het bloedbad dat Tristan van der V. had aangericht in Alphen aan de Rijn. Rechts zie je dezelfde alinea’s, herschreven door journalist Henk Blanken, in de werkplaats van de Verhalengarage.

Rond twaalf uur zaterdagmiddag stapt Tristan van der V. uit zijn auto, op de parkeerplaats bij een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn. Een kwartier later zijn zes mensen dood, en zeventien mensen gewond. Het wapen ligt bij de dader, naast de kassa’s van de Albert Heijn.

Tristan van der V. parkeert zaterdagmiddag rond twaalf uur zijn zwarte Mercedes op het Carmenplein bij winkelcentrum de Ridderhof. Hij heeft drie wapens bij zich. Hij stapt uit en schiet iemand neer.  Dan gaat hij een stenen zijtrap op en door een deur het winkelcentrum in. In zijn auto, die later door de Explosieven Opruimingsdienst wordt onderzocht, ligt een briefje. Daarop staat dat er explosieven liggen in drie andere winkelcentra in Alphen aan den Rijn.

Het is druk in het overdekte winkelcentrum. Rustig loopt Van der V. langs het Kruidvat, de Zeeman, de Hubo. Schietend. Glas vliegt in het rond. Mensen vallen neer, rennen weg, duiken weg. Hij loopt door.

 

 

 

Rond twaalf uur zaterdagmiddag stapte in Alphen aan den Rijn een jonge man uit zijn auto. Een kwartier later had hij in het winkelcentrum Ridderhof zes een bloedbad aangericht.

Het moet rond het middaguur zijn geweest toen de zwarte Mercedes zaterdag het Carmenplein in Alphen aan den Rijn opdraaide. De bestuurder parkeerde de auto en stapte uit, een man van rond de twintig, een jonge, blanke man die de parkeerplaats overstak  en met een vuurwapen de eerste voorbijganger die hij tegenkwam doodschoot, willekeurig, terloops en rustig, alsof hij een sigaret uitdrukte.

Toen beklom de man de stenen trap. Door een deur ging hij de Ridderhof binnen.

In het overdekte winkelcentrum was het druk, als op elke zaterdagmiddag. De man liep kalm langs het Kruidvat, de Zeeman, de Hubo. Rustig liep hij langs de winkels, schietend op passanten met een van de drie vuurwapens die hij bij zich droeg.

Glas vloog in het rond. Mensen vielen neer, renden weg, doken ineen.

De man liep door.

Henk Blanken besteedt maar liefst vier artikelen aan deze reportage, puur om te laten zien hoe narratieve technieken, mits echt goed toegepast, een reportage kunnen versterken. Hij herschreef het stuk helemaal, waarbij hij in een noot bij elke zin uitlegt waarom hij die heeft veranderd. Heel erg leerzaam!

Helaas is de site van de verhalengarage wat onoverzichtelijk. Op zijn blog staan de artikelen niet naast elkaar, wat vergelijking bemoeilijkt. Daarom hierbij een stukje van zowel de oorspronkelijke reportage als de herschreven versie. Wat je nu mist zijn de noten met commentaar – en de rest van beide stukken. Daarvoor moet je even doorklikken.