What makes you happy can also make you sick

In sectoren waar creativiteit de belangrijkste motor is – journalistiek, film, tv – is sprake van structurele organisatorische onrechtvaardigheid. Dat komt omdat ze parasiteren op de gedrevenheid van hun medewerkers. Denk aan onderbetaling, stress, maar ook aan racisme en #metoo.

Hierover hoorde ik Uva-hoogleraar mediastudies Mark Deuze in de podcast ‘Onder mediadoctoren’ over zijn boek Well-Being and Creative Careers. What Makes You Happy Can Also Make You Sick.

Mensen zijn zo gek om zich kapot te werken in creatieve sectoren omdat ze het werk zo leuk vinden. Ze ervaren veel autonomie en vrijheid. Diezelfde autonomie leidt dus ook tot arbeidsonzekerheid en spanning. Passie legitimeert het gebrek aan een goed leven.

Geen wonder dat de gemiddelde journalist na drie tot vijf jaar het vak verlaat. Daar heeft de sector geen last van. Er is altijd genoeg jonge aanwas die staat te trappelen om de creatieve arena te betreden, vastbesloten om kansen te grijpen.

En wie blijft, die meent over bovengemiddelde kwaliteiten te beschikken en zet die cultuur voort, die praat over Champions League en zo. Zijn of haar kinderen bouwen van jongs af aan al een prachtig netwerk op.
Deze nepo-baby’s komen makkelijk aan de slag. Ze blijven vaak volhouden dat het echt hun eigen verdienste is dat ze hun vleugels zo kunnen spreiden. Wat natuurlijk waar is – en ook niet.

Geen wonder dat deze sectoren zo moeilijk mensen van buiten kunnen vasthouden, zoals klasse-migranten en mensen van kleur. De creatieve sectoren zijn veel, veel conservatiever dan ze ooit aan zichzelf kunnen toegeven.

Deze aflevering is met ruim twee uur wel erg lang. Er zit enige herhaling in maar vooral de uitwerking van het begrip organisatorische onrechtvaardigheid bleef me intrigeren.

Podcasthost Linda Duits merkt op dat bovengenoemde mechanismen ook gelden voor de wetenschap, waar structureel onbetaald overwerk standaard is, om maar te zwijgen van de krankzinnige tijdelijke contracten.

Zo gaf ik zelf een paar jaar een fantastisch leuke mastercursus aan een universiteit waar ik wel drie keer zo veel werk voor verzette als de aanstelling van 0,05 fte (geen typefout) me voor betaalde. Het doet me denken aan wat mijn schoonvader vroeger over zijn moestuin zei: het is een leuke hobby die gelukkig geen geld kost.

Wat hier aan te doen? Duits merkt op dat liefde voor je vak zich zou moeten uitbreiden tot liefde voor je vakgenoten. Met andere woorden: bied weerstand aan het individuele ellebogenwerk dat in deze sectoren hoogtij viert, maar probeer als collectief te strijden voor betere werkomstandigheden. Je begrijpt na het beluisteren van deze mediadoctoren wel waarom dat collectief zich zo moeilijk laat vormgeven.

Schrijf voor louter terminale patiënten

”Write as if you were dying. At the same time, assume you write for an audience consisting solely of terminal patients. That is, after all, the case. What would you begin writing if you knew you would die soon? What could you say to a dying person that would not enrage by its triviality?”

In vertaling:

”Schrijf alsof je elk moment kunt sterven. Ga er tegelijkertijd van uit dat je schrijft voor louter terminale patiënten. Welbeschouwd is dat immers zo. Wat zou je schrijven als je wist dat je niet meer lang te leven had? Wat zou je zeggen tegen iemand die niet meer lang te leven had dat hem niet woest zou maken omdat het zo triviaal was?”

Annie Dillard – The Writing Life (1989)

Deurtje dicht, deurtje open

Schrijver Stephen King kreeg zijn eerste betaalde baantje als sportverslaggever bij een weekkrant in Lisbon, Ohio. Daar leerde hij zijn belangrijkste schrijfles van zijn chef, Mr. Gould.
Toen King zijn eerste stukken had ingeleverd, op papier getypt natuurlijk, het was ergens in de jaren zestig, bewerkte Gould veel van Kings zinnen. Vele konden compacter, overbodige informatie kon er wel uit, de ene zin kon beter verbonden worden met een andere.
‘Ik heb alleen de slechte stukken eruit gehaald’, zei Gould nadien, ‘het meeste was best goed.’

En toen gaf Gould een lesje dat veel schrijvers in hun oren hebben geknoopt.  In mijn vertaling: Als je een verhaal (artikel, essay, boek) schrijft, schrijf je het eerst voor jezelf. Als je het herschrijft, dan haal je alle dingen eruit die niet bij het verhaal horen.

Stephen King herformuleert Goulds les tot: Schrijf met de deur dicht, herschrijf met de deur open.

Schrijf eerst met de deur dicht. Experimenteer, durf te falen, blijf niet hangen in bijvijlen maar werk door totdat je weet: dit is het verhaal van kop tot staart, dit is wat ik wil vertellen.

Daarna gaat de deur open en mag de lezer binnenkomen. Je kunt het laten lezen, en openstaan voor kritiek, en je gaat zelf herschrijven totdat elk woord een bijdrage is aan de best mogelijke versie van je verhaal.

Daarna is je verhaal van de wereld. En niet meer van jou.

Een advies met toverkracht

Dit advies kun je gebruiken bij complexe opdrachten, bij uitstelgedrag, bij eigenlijk alle schrijftaken die niet helemaal vanzelf gaan. Je kunt het ook gebruiken om de kwaliteit van je schrijverschap te verbeteren. Dat gaat gebeuren omdat je systematisch reflecteert op wat je nu eigenlijk aan het doen bent.

Het advies luidt: monitor je schrijfproces in zeven stappen

1. Houd een dagboek bij over je schrijfproces, in een boekje, of op een file in je computer.

2. Als je begint met schrijven, dan geef je jezelf een opdracht: zo specifiek mogelijk én wees realistisch. Stel dus liefst makkelijk haalbare doelen. Deadline-junkies zetten daarbij ook een timer. Splits zo nodig de opdracht in kleinere taakjes en zet voor elk klein taakje ook een timer.

3. SCHRIJF DIE OPDRACHT OP! (Deze aanwijzing bevat toverkracht).

4. Voer de opdracht uit.

5. Evalueer, maar uitsluitend positief: wat ging goed? Hoe ben je vooruit gekomen? Schrijf op.

6. Stel vast: waar wil je nu vooral aan gaan werken? Waar heb je zin in? Dat wordt dat je volgende opdracht. Dit heet ook wel ‘parking down hill’ (uit: Joan Bolker’s Writing Your Dissertation in Fifteen Minutes a Day). Zo creëer omstandigheden waardoor je een volgende keer weer snel tot schrijven komt.

7. Als je meer steun nodig hebt: stuur je positieve evaluatie en je taak voor de volgende keer naar een ‘writing accountability partner’, iemand met wie je afspreekt dat die, bijvoorbeeld elke doordeweekse avond, je vooruitgang ontvangt. Eventueel ontvang je ook van je schrijfpartner een mail over diens schrijfproces van de dag. Reageer daar alleen maar positief op, zonder veel extra commentaar.

 

Stel vragen aan jezelf en aan de lezer

Je zou kunnen zeggen dat de kern van een tekst bestaat uit vragen en antwoorden. Sommige vragen zijn expliciet, zoals: welke wetten in het internationaal recht regelen het omgaan met ruimtepuin?

Andere vragen zijn impliciet: ze bevinden zich achter de tekst, bij wijze van spreken, of in het hoofd van de lezer. Voorbeeld van zo’n laatste vraag: waarom moet ik lezen over de geschiedenis van het internationale ruimterecht?

Een ervaren schrijver verstaat de kunst om antwoord te geven op impliciete vragen. Een nog grotere kunst is om bij de lezer precies die vragen te laten opkomen die jij ook graag wil beantwoorden.

Vragen stellen aan jezelf
Als je wil schrijven over een onderwerp x, maar nog niet precies weet wat, dan zou je eens een tijdje jezelf vragen kunnen stellen over je schrijfproject – en dat zonder druk, zonder haast, zonder het raadplegen van Tjet of een ander AI-model.

Niet nadenken, geen structuur aanbrengen, steeds jezelf een vraag stellen en antwoord erop geven.
Ben je uitgeschreven? Stel dan een nieuwe vraag. Dit is een vorm van vrij schrijven, waar je jezelf in kunt trainen. Zo ontwikkel je nieuwe ideeën. Soms los je zo interne conflicten, soms blaas je alleen maar stoom af.

(Geheel terzijde: ik las dat een schrijver zijn stoom-afblaaspagina’s, ook wel ochtendpagina’s genoemd, door het AI-model Claude liet transformeren tot een takenlijst. Hier word ik zo treurig van. Dit is een vorm van efficiency-denken waarin zelfs stoom afblazen nog omgezet moet worden in iets nuttigs.)

Uitstelgedrag
Je kunt jezelf ook vragen stellen als je lijdt aan uitstelgedrag. Schrijf maar even op waarom je geen zin hebt.
Misschien kom je erachter dat je te moe bent.
Of dat je essentiële informatie mist.
Of dat je eigenlijk niet goed weet waar je moet beginnen.

Voor je het weet, stel je jezelf inhoudelijke vragen en ben je weer op het goede spoor.

Vragen stellen in je tekst
Ik gaf les aan een groep adviseurs. Het eerste wat mij in hun teksten was opgevallen was dat hun adviezen zelden een vraag bevatten.

Een goed advies zou toch een antwoord moeten zijn op een vraag die leeft. Wat betekent het als de adviseurs die vragen niet eens formuleren?

Ik suggereerde deze groep: probeer eens heel bewust vragen toe te voegen aan je tekst. Dit is een schrijftechniek die veel teksten leesbaarder maakt.

Door vragen expliciet in je tekst op te nemen, trek je de lezer naar de tekst toe. Alleen al de visuele aanwezigheid van een vraagteken trekt de aandacht van de lezer.

Disclaimer

De techniek van effectieve vragen stellen in je tekst ga je niet in één keer goed beheersen. Misschien voeg je in het begin veel te veel vragen toe. Misschien stel je juist vragen die niet zo relevant zijn.
Denk na over welke vragen echt belangrijk zijn. Bedenk ook dat je in een latere revisie de vragen vaak kan weglaten.

Welke vraagwoorden?
Merk hierbij op dat sommige vraagwoorden leiden tot specifiekere, dus betere antwoorden dan andere: ‘welke’, ‘wie’, ‘waarom’, ‘wat’ zijn vraagwoorden die een specifiek antwoord beloven. Voorbeelden: welke  belooft een opsomming; wat belooft een definitie; waarom belooft een opsomming van redenen.

Een vraagwoord als ‘hoe’ of ‘in hoeverre’ geeft bijna altijd vagere antwoorden.
Het kost vaak veel denkkracht om hoe-vragen om te vormen. Daarmee verandert immers ook de inhoud van de vraag. Vergelijk: ‘Hoe moet Europa zich herpositioneren?’ met ‘Welke economische maatregelen moet de Europese Unie nemen om niet-Europese landen gelijkwaardiger te behandelen?’  De laatste vraag is veel specifieker.

Sommige teksten laten zich schrijven als een aaneenschakeling van vragen en antwoorden, waarbij elke alinea één vraag bevat. Dat leest wat staccato. Vaak kun je in de afwerkfase wat vragen schrappen en met verbindingswoorden de antwoorden in de ene alinea logisch laten aansluiten op een volgende.

Tot slot: twee vuistregels
De eerste: stel alleen een vraag als je er ook antwoord op geeft. Een tekst waarin vele vragen achter elkaar worden gesteld zonder dat er antwoord op komt, geven de indruk dat de schrijver onwetend is.
Een tweede vuistregel: niet meer dan een à twee vragen per 500 woorden.

Mogen kunstenaars stereotypen gebruiken?

Illustratie: Idris van Heffen

Multitalent Ted van Lieshout wilde een kinderboek maken over een jongetje dat gehecht raakt aan een pleister op zijn wondje. Om de pleister ‘heel mooi’ uit te laten komen, tekende hij een zwart jongetje met een beige pleister op zijn kin, vlak onder zijn felrode lippen.

De uitgever vond het niet zo’n goed idee. Waarom eigenlijk niet? Van Lieshout vindt dat hij als kunstenaar de vrijheid moet hebben om alles in zijn kunst te verwerken, ook een stereotype.

Daarin geef ik hem gelijk, maar toch valt er wel meer te denken over deze kwestie. Ik schreef er een essaytje over (Trouw, 13 januari 2026). Ook te lezen als pdf.

 

De eiwithype!

doorgesneden helften van hardgekookte eierenEen van de troostrijke handelingen die koken me biedt is het kloppen van een kleine, slijmerige hoeveelheid rauw kippeneiwit tot een volle bak luchtig schuim, zó stevig dat je de kom ondersteboven kunt houden zonder dat het eruit valt. Als je het mysterie daarvan kunt ervaren, dan is het nogal ontnuchterend als voedsel wordt teruggebracht tot ingrediënten.

Ik schreef een stuk na lezing van Proteïne van Jop de Vrieze. (Trouw, 25 oktober 2025). Hier een pdf deel 1 en een pdf van deel 2.

De arrogante aap

‘Je zou erom kunnen lachen als het niet zo dieptragisch zou zijn: in de moderne classificatie van dieren en planten heet de mens nog steeds ‘de verstandigste der verstandigen’, homo sapiens sapiens. Dat verraadt een zelfbeeld waarin de mens zich bevindt op de bovenste sport van de ladder der natuur, boven de dieren die zelf weer boven de planten staan.’

Dit is de eerste alinea van mijn recensie van De arrogante aap van Christine Webb, met een bijrolletje voor milieufilosoof Baptiste Morizot en zijn boek Het levende laten opvlammen. Hier deel 1 en deel 2 in pdf (Trouw, 27 september 2025).

Is de moderne mens te frivool of juist niet frivool genoeg?


Mijn tante Madelein hield van kantklossen en van frivolité, een handwerktechniek die kantjes oplevert voor een kraag aan een bloes of een kleedje op tafel. Ik moest aan haar denken toen ik het boek ‘Frivoliteit’ in handen kreeg, geschreven door filosoof Peter Venmans.
Ik schreef er een stukje over in Trouw.
[Helaas schreef ik het iets te frivool, want er staat een stomme fout in. ”Ik wou dat ik twee hondjes was’ is een gedicht van Godfried Bomans, niet van zijn goede vriend Michel van der Plas.] Hier de pdf: 
Frivoliteit, Trouw, 15 april 2025

Wonderen bestaan

Jij maakt ze vet, ik maak ze mager. Deal?
Illustratie: Titia Struiving

Johann Hari schreef een mooi boek over de nieuwe medicijnen tegen obesitas. Wondermiddel is een populair boek dat mij echt woedend heeft gekregen: de voedingsindustrie is even pervers als de tabaksindustrie. Deze recensie is te lezen in dagblad Trouw van 4 januari 2025. Hier pdf1 en pdf2.